Goede voornemens
Een nieuwe column van Stef Bos
Het is soms goed om stil te staan en terug te kijken voor je bepaalt hoe je verder gaat. Wat hebben wij wat dat betreft een kans gemist in de Coronatijd. De stilte, de lege snelwegen, de schone lucht en het besef dat we misschien te lang teveel doorgedraaid leefden. We hadden tijd om ons hele systeem onder de loep te nemen maar we waren te verkrampt om op te stijgen en alles eens vanuit de lucht te zien.
Het is soms goed om stil te staan. Dat soort momenten zijn meestal voorbehouden voor het einde van een jaar met nieuwsoverzichten en bespiegelingen over ons eigen leven. Soms leidt dat tot goede voornemens die dikwijls al snel stranden na 1 januari als alles weer in gang schiet. Maar soms loopt het anders.
Afgelopen zomer stond mijn wereld opeens letterlijk op zijn kop. Ik zag alles vanuit een horizontale positie. Zonder dat ik het wist, had ik een ernstige bacteriële infectie onder de leden. Ik voelde me al dagen suf en koortsig, en dacht: het is een griepje. Ik sliep achttien uur per dag en op een ochtend was ik te laat om iemand op te halen. Ik vertrok als een kip zonder kop, stapte in de auto en bij ons om de hoek langs het kanaal raakte ik alles even kwijt: ik reed frontaal tegen een boom. Knal. Alles stond stil. Total loss.
Ik hing in de airbags en in een kort moment van helderheid dacht ik maar één ding: Ik moet hier uit, beseffende dat ik naast het kanaal stond en er misschien in zou kieperen. Naar het schijnt, ben ik er zelf uitgeklommen maar dat weet ik niet meer. Het volgende moment bij bewustzijn, lag ik op een brancard in gestabiliseerde positie en zag ik gezichten boven mij die zeiden dat ik me niet mocht bewegen. Toen die gezichten weg waren, zag ik de wolken. Vervolgens werd ik in een ambulance geschoven, zag ik het dak van de ambulance, hoorde sirenes en werd ik naar een ziekenhuis in Gent gereden. Waar ik vervolgens alle luchtroosters in het plafond zag terwijl ik door de gang werd gereden. Na allerlei scans bleek wonder boven wonder dat ik geen breuken of inwendige schade had opgelopen maar na bloedonderzoek werd wel duidelijk dat mijn onstekingswaarden belachelijk hoog waren. En er waarschijnlijk sprake was van een ernstige bacteriële infectie.
In de ambulance ervaarde ik alles als een vreemde droom tot ik aan mijn kinderen dacht en toen sloeg de emotie toe van een liefde die boven alles gaat van wat we dagelijks als belangrijk ervaren. Mijn moeder zei het vroeger al tegen m’n vader: Ik hou veel van je maar je bent wel het kind van een ander. Alles wat in ons leven gebeurt, hoe toevallig het ook lijkt, moet je in elk geval betekenis geven. Liggend aan een infuus in een ziekenhuisbed kreeg ik opeens de tijd om iets te lezen wat al lang lag te wachten: de dagboeken van Bram Vermeulen. Fascinerend om in het hoofd te kruipen van een zanger en songwriter, en in zijn woorden mijn eigen twijfels, geluk en onvermogen te zien maar ook de liefde voor muziek en taal. Het was een mooie en soms pijnlijke spiegel die Bram mij voorhield. Een spiegel die mij deed beseffen dat ik nog iets te doen heb hier op aarde, maar dat ik eerst grondig stil moet staan om de zolder in mijn hoofd op te ruimen en terug te kijken voor ik verder ga.
Met dank aan een boom en een auto met een gestaalde kooi was het een soort van oud en nieuw, maar dan midden juli.
Over Stef Bos
Stef Bos (1961) is singer-songwriter en woordkunstenaar. In Zin schrijft hij over zijn leven als muzikant en als echtgenoot en vader. Stef is getrouwd met de Zuid-Afrikaanse kunstenares Varenka Paschke. Samen hebben ze drie kinderen: zoon Kolya (15) en dochters Lorelei (13) en Vonkie (8). Ze wonen afwisselend in Zuid-Afrika en in Vlaanderen. Stef toert in maart 2026 twee weken met het Noord Nederlands Orkest en in mei-juni 2026 in kleine bezetting met de voorstelling Ik zing.