5 vragen aan: Marianne Timmer
'Ik wilde een Yvonne van Gennip zijn'
Met de Olympische Winterspelen voor de deur ploppen herinneringen aan oud-schaatser Marianne Timmer (1974) en haar gouden plakken op. Net als dat zinnetje van NOS-commentator Frank Snoeks: ‘Timmertje, Timmertje, wat ga je doen?’ Nadat ze drie jaar geleden scheidde en weer opkrabbelde, zit ze nu in een goede flow en is ze er straks bij. In Milaan, bij De Spelen.
1 Kijk je uit naar de Olympische Winterspelen?
“Enorm. Dit jaar zit ik niet voor de buis om alle wedstrijden te volgen en rondetijden bij te houden, maar ben ik erbij in Milaan. Voor Sportnieuws.nl doe ik verslag en duid ik wat er gebeurt op het ijs. Dat vind ik ontzettend leuk om te doen. De generatie schaatsers die nu de dienst uitmaakt, is authentiek en veel zichtbaarder dan in mijn tijd. Allemaal hebben ze een eigen verhaal. Nederland gaat gouden medailles winnen in Italië, maar wie dat precies gaat doen, laat zich vooraf moeilijk voorspellen. Er gebeuren namelijk altijd onverwachte dingen tijdens de Olympische Spelen. Sommige schaatsers bezwijken onder de druk of willen juist te graag. Bij anderen komen juist dan ongekende krachten naar boven. Dat is de magie rond dit toernooi. Omdat het maar eens in de vier jaar plaatsvindt, is het de kunst er op het juiste moment te staan.
Ik verheug me het meest op de korte afstanden bij de vrouwen. Daar ligt het niveau heel dichtbij elkaar. Dat kan wel wat spektakel opleveren. Kanshebbers? Femke Kok, Jutta Leerdam… Hopelijk lukt het hen het beste uit zichzelf te halen en met hun prestaties jonge schaatsers te inspireren. Ik weet nog dat ik als tiener Yvonne van Gennip zag winnen in Calgary. Ze had zo’n muts op: Goud hè? Toen ik dat zag, dacht ik: hoe mooi zou het zijn als ik dat ook mag meemaken! Mijn hart ging er letterlijk sneller van kloppen. Ik wilde een Yvonne van Gennip zijn en deed er alles aan dat doel te bereiken. Kwam zij schaatsen in Groningen, dan meldde ik me aan als vrijwilliger om de blokjes goed te leggen. Voor mij was het namelijk dé kans om Yvonne van dichtbij te zien schaatsen. Misschien kon ik er iets van leren door te kijken naar haar techniek. Zo gedreven was ik.
Tien jaar later kwam mijn droom uit en mocht ik mee naar de Olympische Spelen in het Japanse Nagano. Er was toen al een tijdje niet meer goed gepresteerd door de Nederlandse schaatsploeg. We hadden net die transitie gehad naar de klapschaats en die pakte voor mij goed uit. Ik won twee gouden plakken, eentje op de 1000 en een op de 1500 meter. En ook andere schaatsers zoals Gianni Romme en Ids Postma deden het fantastisch in Japan. Daardoor stond het schaatsen in Nederland ineens weer op de kaart.”
2 Is jouw leven veranderd na het winnen van die gouden medailles?
“Totaal. Er is echt een vóór en een ná Nagano… In Nederland brak een totale gekte uit nadat ik in 1998 met goud thuiskwam. Op Schiphol stond een enorme mensenmassa die me allemaal even wilde aanraken, wilde vasthouden. Het was duwen, trekken. Ik werd er een beetje bang van. Ook thuis in het Groningse Sappemeer was iedereen door het dolle. Er moest worden gefeest. Dat hebben we ook gedaan, maar toen ik daags erna weer wilde overgaan tot de orde van de dag en weer wilde trainen, was dat onmogelijk. De hele straat stond vol auto’s: nóg meer mensen die mij wilden feliciteren. Vier dagen lang was het filerijden in het dorp. Een groot compliment natuurlijk, dat ze speciaal voor mij naar Sappemeer kwamen, maar ik vond het toen vooral ongemakkelijk. Ik begreep die gekte niet goed. Voor mijn gevoel was er niets veranderd. Ja, ik had een medaille gewonnen. Dat was mooi, maar ik wilde gewoon door. Hoe gaat dat liedje ook alweer: You change your passion for glory… Nou ik niet. Mijn ouders leenden koffiezetapparaten van de buren om ook nog eens iedereen van een bak koffie te voorzien. Over gastvrijheid gesproken. Dat zou je nu niet meer doen, maar wisten zij veel.
Ik woonde al op mezelf in die tijd, een straat verderop bij mijn ouders. Omdat een trotse buurvrouw mensen aanwees waar ik precies woonde, deed ik de gordijnen dicht en de deur op slot. Met die bekendheid heb ik moeten leren leven. Mensen hebben vaak het gevoel dat ze je al kennen, terwijl ik dat natuurlijk omgekeerd niet heb. Weet je dat ze me soms op straat nog naroepen met de woorden van Frank Snoeks: ‘Timmertje, Timmertje, wat ga je doen?’ Dat zinnetje is veel mensen bijgebleven.
Overigens lukte het me pas acht jaar later om nog eens goud te winnen, dit keer op de Olympische Spelen in Turijn. Dat het zo lang duurde om het succes te herhalen, geeft aan hoe bijzonder de prestatie eigenlijk was. Het lijkt allemaal zo simpel. Femke Kok die hard schaatst, haar handen omhoogsteekt en wint. Maar wat daaraan voorafgaat, zien we niet. Ben je een keertje een nanoseconde minder snel, dan sta je meteen heel wat treetjes lager. Schaatsen is keihard.”
3 Hoe ziet jouw leven er tegenwoordig uit?
“Ik zit op het moment in een goede flow. Dat is een tijdlang anders geweest. Drie jaar geleden ben ik gescheiden (van oud AZ-keeper Henk Timmer, red.). Helaas was het verre van een soepele scheiding. Ik vond het zelfs een heel nare tijd. Traumatisch. We waren in gemeenschap van goederen getrouwd en dan zit je, zolang de scheiding nog niet is uitgesproken, financieel aan elkaar vast. Dat leverde me heel veel stress op omdat we totaal niet meer op één lijn zaten. Soms dacht ik: waar eindigt dit? Uiteindelijk konden we er een punt achter zetten doordat een bevriende vastgoedondernemer namens mij de boel regelde met mijn ex, zodat ik verder kon. Een andere vriend bood mij zijn flat in Amsterdam aan als woonruimte. Uiteraard greep ik die kans met beide handen aan. Al was ik een klein dorpje op de Veluwe gewend en zag ik mezelf eigenlijk totaal niet in een stad als Amsterdam wonen. Ik zag destijds sowieso geen toekomst. De beste jaren liggen achter mij, dacht ik vaak. Ik had ook geen doel. Was alleen maar bezig met overleven. Onthechten en ontvlechten. Loskomen van alles wat was. Dat was zwaar. Mentaal was ik totaal uit het veld geslagen. De scheiding voelde als falen. Het was toch in voor- en tegenspoed? Bovendien: mijn vader had me nog weggegeven. Dat ik die belofte moest breken, vond ik vreselijk verdrietig.
Ondertussen probeerde ik er in Amsterdam het beste van te maken. Dan ging ik hardlopen en kroop ik daarna met nieuwe energie achter de computer. Vervolgens bleef ik maar staren naar dat beeldscherm. Er kwam niks uit mijn handen. Ik bevroor. Akelig. Het was mijn reactie op de stress die ik ervoer. Ik was dat hertje dat stil bleef staan, terwijl de tijger aan zijn poot zat te vreten.
Tuurlijk dacht ik vaak: stel je niet aan. Doe niet zo slap. Kom op. Schouders eronder en gaan.
Vervolgens kwam er een fase waarin ik op alles ‘ja’ zei. Wil je lid worden van een of andere commissie? Ja. Een sportgala presenteren? Leuk, doe ik. Vaak wist ik niet waar ik aan begon. De zoekfunctie op Google was in die dagen mijn beste vriend. Wel ontmoette ik heel veel nieuwe mensen. In het begin voelde ik me kwetsbaar en heb ik me op zakelijk gebied af en toe laten verleiden door mooie praatjes, waar natuurlijk niks van terechtkwam. Pas toen ik wat sterker in mijn schoenen stond, zag ik alles weer helderder.
Op dit moment heb ik echt fijne vrienden om me geen. Bruisjes noem ik ze. Mensen die me energie geven, met wie ik leuke dingen doe en lach. Bij mooi weer fiets ik graag met een groepje een route door Nederland. Ik bezoek graag het theater of ga naar een evenement in het Olympisch Stadion. Ik zie nu ook het voordeel van Amsterdam. Er is altijd reuring.”

Verder lezen?
Lees het vervolg van het interview met Marianne Timmer in Zin 3. Nu in de winkel.
Interview: Jolanda Hofland. Beeld: Team Timmer