BELEEF DE TIJD VAN JE LEVEN
Kunstenaar en schrijver Carmen van Geffen

Kunstenaar en schrijver Carmen van Geffen

‘We kunnen veel wijzer worden van hen die ons zijn voorgegaan’

Als kind ging ze al graag met haar grootmoeder naar oude kerken, beeldde ze zich in hoe de mensen eeuwen geleden over de graven in de kerkvloer moeten hebben gelopen. Kunstenaar & schrijver Carmen van Geffen (1968) heeft dat ook met historische steden. Ziet ze koetsen over de kasseien hobbelen. Niet gek dat ze nu een pracht van een historische roman afleverde: Engel van de blauwe stad.

Je bent schrijver en kunstenaar. Op welke manier versterken die rollen elkaar vind jij? En hoe zie jij jezelf vooral?
“Ik ben beeldhouwer van opleiding en heb me daarna vooral beziggehouden met fotografie, waarbij ik op mijn foto’s teken en schilder. Het combineren van technieken en manieren van kijken vind ik bijzonder boeiend. Als kunstenaar ben ik uiteraard visueel ingesteld en in mijn romans gebruik ik mijn vermogen tot observeren. Dit gaat over menselijk gedrag maar ook over dat ik mij zo goed mogelijk probeer in te leven in hoe het leven er toen uitzag – om de scenes in mijn boeken zo beeldend en levendig mogelijk te kunnen beschrijven.

Zo neem ik in mijn laatste boek de lezer mee naar de straten en huizen van het 19de-eeuwse Antwerpen. Ik laat ze de stad en de mensen zien, horen en ruiken, en ik laat voelen hoe het is om in die tijd te leven. Voor mij is schrijven, net als beeldhouwen en tekenen, een zeer creatief proces. Ik bouw gestaag aan beelden en personages die een boeiend en meeslepend verhaal vertellen. De vorm, het ritme en het tempo van het verhaal zijn daarbij zeer belangrijk. En ik zoek naar die ogenschijnlijk onbelangrijke details die je volledig onderdompelen in een tijd en setting.”

Je bent Nederlands maar woont in Vlaanderen. Waarom? Hoe anders is het daar?
“Ik ben in de jaren 90 gaan studeren aan de Academie van Antwerpen, en blijven hangen voor de liefde. In het begin heb ik gedacht terug te keren naar Nederland, maar na tien jaar besefte ik dat het land dat ik had achtergelaten niet meer bestaat: iedereen in Nederland was doorgegaan met zijn leven, de plekken die ik miste waren veranderd. Toch leef ik altijd met een latent soort heimwee, een soort verlangen naar herkenning.

Want ook al woon ik inmiddels meer dan dertig jaar in België, er zijn nog altijd zaken hier die voor mij onbegrijpelijk zijn. Dat kan gaan van de politiek, over het verkeer en de ruimtelijke ordening, tot het omgaan met elkaar. Anderzijds ben ik heel erg vervlaamst en zou ik waarschijnlijk ook niet meer in Nederland kunnen wennen. Ik ben langzaam van dit complexe land gaan houden, ik heb hier mijn leven, mijn gezin, vrienden en collega’s. En ook wel een zwak voor de ‘belgitude’: ‘een vrolijk, epicurisch, zacht-cynisch karakter, dat voor buitenstaanders ‘evenwel verborgen blijft achter rolluiken’, zoals Benno Barnard het mooi omschrijft.”

Je debuteerde in 2023 met Erfstuk. De recensies waren goed. Hoe spannend was het om daarna aan een tweede roman te beginnen?
“Ik heb daar nooit bewust over nagedacht. Het idee voor de tweede roman was er al toen Erfstuk uitkwam en ik was al volop research aan het doen toen de recensies binnenkwamen. Natuurlijk besef je op dat moment dat de lat hoger wordt gelegd, en dat de nieuwe roman minstens even goed moet zijn, het liefst nog beter. Maar echt stress heb ik daar niet over gehad. Voor mij was het vooral belangrijk om hetgeen wat ik had geleerd bij het schrijven van mijn debuut, mee te nemen in het schrijfproces van mijn tweede boek: Engel van de blauwe stad.”

Engel van de blauwe stad, een historische roman, is inmiddels verschenen. Hoe stuitte je op het verhaal van het boek? En waarom vond je dat daar een boek in zat?
“De eerste keer dat ik iets las over de verwoestende cholera-epidemie van 1866 in Antwerpen was in de thesis van mijn dochter. Zij studeerde geschiedenis aan de universiteit en het onderwerp van haar proefschrift was de ongelijkheid tijdens die bewuste epidemie. Zoals altijd las ik haar geschriften na, en daarna kon ik dat verhaal niet meer uit mijn hoofd zetten. Het menselijk leed, de onmacht van de medische wereld om een antwoord te vinden op de epidemie, de schrijnende armoede en ongelijkheid, de falende pogingen van de politiek…  Alles deed mij ook zo denken aan wat wij hebben meegemaakt met de coronapandemie. Alsof er in 150 jaar niet echt veel was veranderd. Verhalen uit het verleden die ons iets vertellen over het heden, vind ik altijd interessant.

Daar komt bij dat ik een fascinatie heb voor de 19de eeuw, een periode van ingrijpende gebeurtenissen en grote omwentelingen. Zo is ook in de kunstgeschiedenis toen heel veel veranderd en de kiem gelegd voor veel nieuwe avant-gardistische stromingen en onze moderne denkbeelden. Ze stonden met één been in het verleden en één been al in de toekomst. Die dualiteit spreekt mij aan. Ik zag ook direct een vrouwelijk hoofdpersonage dat zich staande probeerde te houden in een door mannen gedomineerde medische wereld. Mijn grootmoeder was verpleegster en als kind mocht ik regelmatig met haar mee naar het ziekenhuis, wat ik tegelijk spannend en intrigerend vond. Zelf verpleegster of dokter worden was echter geen optie: ik kan niet tegen bloed. Maar erover schrijven was heerlijk!”

Het verhaal speelt in 1866, als er cholera (‘de blauwe dood’) is uitgebroken op emigrantenschip Agnes. Op welke manier heb je research naar die periode, het schip en de ziekte gedaan?
“Ik heb heel erg veel research gedaan in de vorm van het lezen en bestuderen van wetenschappelijke artikelen en proefschriften, verslagen, notulen, medische traktaten, foto’s, en historische boeken. Mijn lezer leest van al die research maar een topje van de ijsberg. Ik vind niet dat ik als schrijver mijn kennis moet etaleren, tegelijk moet het wel in alles vervat zitten. Als het goed is, voelt de lezer wel onbewust de rest van de ijsberg onder water tijdens het lezen.

Ik baseer mijn roman op feiten, tegelijk neem ik als romanschrijver de vrijheid om het verhaal op mijn manier te vertellen, dicht bij de feiten maar ver genoeg om oog te hebben voor hetgeen niet verteld wordt, wat achter de feiten ligt. Met mijn verbeelding breng ik historische personages en feiten samen in de verhaallijnen en het plot. En dat gaat tot in het kleinste detail om, zoals ik al eerder zei, de beleving van een historische roman naar een hoger niveau te tillen. Ook de mentaliteitsgeschiedenis was een belangrijk deel van mijn onderzoek; hoe dachten mensen toen, hoe ervaarden zij hun bestaan. Ik wil dat je door hun ogen kijkt, met hun kennis, visie en denkbeelden. Zelfs als dat schokkend is.

Ik kan namelijk niet met terugwerkende kracht onze visie over historische denkbeelden leggen. Bijvoorbeeld: vrouwen hadden toen weinig macht – ik kan ze dus in mijn boek niet meer macht en zeggenschap geven, ook al zou dat beter aansluiten bij de huidige denkbeelden in onze samenleving.
Als historisch schrijver moet je je langs een zeer smalle rand bewegen om niet in de val van het eigentijdse denken te trappen. En dan nog, helemaal loskomen daarvan lukt natuurlijk ook niet. Ook ik ben een kind van mijn tijd.”

Hoofdpersonages zijn ziekenverzorgster Hélène Cauwelaert en dokter Louis Stradling. Hoe zou je hen typeren? Wat is hun band?
“Zonder al te veel spoilers zijn het twee heel verschillende personages, met elk hun eigen karakter. Hélène is losjes gebaseerd op Constance Teichmann, een rijke adellijke dame uit Antwerpen die zieken verzorgde en destijds ook echt als eerste aan boord van het besmette schip is gegaan. Zij is gepassioneerd om patiënten te helpen maar loopt tegen de restricties aan die voor vrouwen golden. Haar rol is zoekend: naar haar plaats in de maatschappij, meer specifiek in de gruwelijke epidemie, en de rol die de bourgeoisie en haar geloof daarin innemen. Terwijl dokter Stradling eerder weinig introspectief lijkt, klampt hij zich vast aan zijn positie en worstelt vooral met de nabijheid van de stank en het ongemak van de arbeidersklasse. Voor hem wordt het een afdaling naar zijn persoonlijke hel.”

Hélène en Louis gaan aan boord van het besmette schip. Ze moeten samenwerken in strijd tegen de epidemie maar hebben tegenstrijdige opvattingen. Hoe gaan ze daarmee om? En is samenwerken dan wel mogelijk?
“Opnieuw wil ik natuurlijk niet te veel weggeven van het verhaal, maar hun opvattingen zullen gaandeweg steeds verder uiteenlopen – met een fatale keuze tot gevolg. Je moet weten dat in de 19de eeuw er nog zeer weinig kennis was op medisch gebied. Artsen die hadden gestudeerd, zoals dokter Stradling, hadden enkel hun theoretische kennis. Zij baseerden die grotendeels op de leer van de oude Grieken. Ziekten was de uiting van de disbalans tussen de vier ‘lichaamssappen’ van het lichaam – de humores: bloed, slijm, en gele en zwarte gal. Aderlating door middel van bloedzuigers en purgeermiddelen waren de gebruikelijke behandelingen om een van de stemmingen te verminderen. Ook extern of intern gebruik van alcohol, kruidenmedicatie en chemische remedies moesten de disbalans tussen de stemmingen herstellen.

Niet zelden waren deze behandelingen ineffectief. De geschoolde dokters moesten concurreren met de zogenaamde ‘wonderdokters’, in mijn roman het personage van Pieter, de onechte neef van Hélène. Wonderdokters waren niet geschoold aan de universiteit maar hadden het beroep via leerlingschap geleerd. Met hun praktische anatomische training boekten zij goede resultaten bij gebroken botten bijvoorbeeld. De meeste mensen vertrouwden deze ‘dokters’ vaak meer dan de geschoolde artsen, die verder van hen afstonden. En dan waren er nog de charlatans met hun nepmiddeltjes, wier behandeling vaak net zo weinig effect hadden als die van de geschoolde dokters. Je ziet dat de medische wereld toen verre van eenduidig was, dus is het niet onlogisch dat er ook veel verschillende opvattingen waren over de juiste aanpak van de epidemie. Tegelijk hebben wij ook met corona de gekste dingen gehoord, die naast de reguliere medische adviezen de ronde deden.

Hélène en dokter Stradling gaan samenwerken in een geïmproviseerd wijklokaal in een van de zwaarst getroffen buurten waar ze dagelijks tientallen patiënten ontvangen. Stradling schuift ook elke dag aan in de vergaderingen van de Commissie van Weldadigheid, waarin artsen en stadsbestuur de stadspolitiek rond de epidemie bepalen. Hélène dwingt Stradling mee de wijk in te trekken en de mensen thuis te bezoeken. Hun samenwerking komt daardoor onder hoogspanning te staan. De tegenstellingen tussen hen groeien uit tot een strijd om waarheid, macht en medisch gezag.”

Wat vind je belangrijk dat de lezer bijblijft na lezing van je roman?
“Ik hoop op reflectie bij de lezer, waarin hij/zij zich zal realiseren hoe weinig we weten over het verleden, over het leven in de 19de eeuw. Het is een reis naar een tijd en plaats waar de hedendaagse lezer nog nooit is geweest, en waar de waarden en normen zo anders waren. Ik wil die leemte opvullen met beelden, geuren en gevoelens. Die confrontatie met het verleden zou ook meer begrip moeten creëren voor het heden. Mijn roman bevindt zich op het snijpunt van eeuwenoude medische overtuigingen en de moderne geneeskunde. En gaat ook over de machteloze positie van de vrouw in de paternalistische klassenmaatschappij, en hoe religie een groot deel van onze kijk op de wereld beïnvloedde, zijn van belang. Mensen die de roman gelezen hebben, laten weten dat ze van het slot even moesten bekomen. Dat het hen aanzette tot nadenken. Meer kan een auteur niet vragen.”

Is het schrijven van historische fictie je bevallen? Zou je het weer doen?
“Absoluut. Ik vind het heerlijk om in het verleden in te duiken, onderzoek te doen en dat te verwerken tot een verhaal met raakpunten aan actuele thema’s waarin ik mijn verbeelding de vrije loop kan laten. Als kind ging ik al graag met mijn grootmoeder naar oude kerken en kathedralen, liep ik met mijn lakschoentjes over de graven in de kerkvloer en beeldde ik mij in hoe de mensen eeuwen geleden daarover moeten hebben gelopen. Hetzelfde met historische steden waarin ik, bij wijze van spreken, de koetsen over de kasseien zie hobbelen, die historische sensatie. Ik lees en kijk ook graag historische verhalen, films en series.

Als schrijver is er niets fijner dan door een historisch personage te worden vastgegrepen, zijn hand goed vast te houden en je mee te laten trekken naar het onbekende diepe. Het verleden herscheppen om vandaag te begrijpen. Want als moderne mens kunnen we veel wijzer worden van hen die ons zijn voorgegaan.”

Toevallig alweer een volgend (schrijf)project op stapel?
“Jazeker, ik ben intussen alweer volop bezig met de research van een derde roman. Opnieuw een historische roman met als setting het einde van de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw. Dit keer gaat het over migratie en verlies, over vooruitgang en ondergang, en over de grenzen van wat de mens de natuur en zichzelf kan opleggen. Maar ook heimwee en ontheemding spelen een grote rol. Het onderwerp is de historische introductie van spreeuwen in Noord-Amerika door de Society of Acclimatisation, een 19e-eeuwse wetenschappelijke en koloniale beweging die zich bezighield met het invoeren, kweken en verspreiden van uitheemse planten en dieren in nieuwe gebieden. Je zou kunnen zeggen dat in mijn nieuwe roman enkele onderwerpen van de eerste twee romans samenkomen, zoals kolonisatie en de 19de eeuw, met actuele thema’s als de verstoring en complexiteit van ecosystemen en milieuproblematiek, de gevolgen van menselijke interventie. De dingen die ik nu aan het lezen ben, zijn ook weer geweldig fascinerend.”

Over het boek

In mei 1866 breekt op het emigrantenschip Agnes cholera uit. Het schip moet voor anker nabij Antwerpen, waar tijdelijke opvang wordt ingericht om te voorkomen dat de ziekte de stad zal bereiken. Tevergeefs. De blauwe dood raast met een angstaanjagende snelheid door de straten. Anders dan bij vorige epidemieën worden nu ook rijke burgers getroffen. Ziekenverzorgster Hélène Cauwelaert gaat samen met dokter Louis Stradling aan boord van het besmette schip. Het is het begin van een lange zomer waarin ze samenwerken in de bestrijding van de epidemie. Maar algauw blijkt dat ze tegenstrijdige opvattingen hebben over hoe de ziekte moet worden aangepakt. Wat volgt is een confronterende botsing op de fragiele grenzen tussen zorg en macht, geloof en kennis. Een menselijke strijd tijdens een van Europa’s meest verwoestende epidemieën.

(Engel van de blauwe stad, Thomas Rap, € 24,99)

Over de schrijver

Carmen van Geffen (1968) is een Nederlandse schrijver en kunstenaar die woont en werkt in Vlaanderen. In 2023 debuteerde ze met de roman Erfstuk, dat lovend werd ontvangen. Zojuist verscheen de historische roman Engel van de blauwe stad.

Foto Keke Keukelaar

Zin in?

Wij geven 3 exemplaren van Engel van de blauwe stad weg. Kans maken? Deel je gegevens in onderstaand winformulier en wie weet. Meedoen kan t/m 24 december.