Margôt Ros: Bro’s before ho’s
Margôt Ros (1965) is regisseur, tv-maker, actrice, comedian én schrijver. In Zin schrijft ze over haar veelzijdige werk en kleurrijke leven. Margôt is samen met Jeroen Kleijne en heeft twee kinderen uit een eerdere relatie: zoon Jan (23) en dochter Cleo (21). Ze wonen in Amsterdam. Kort geleden verscheen het derde boek over Agaath van Margôt en Jeroen: Alles voor Agaath! Margôt toert op dit moment door het land met de voorstelling De Onverwoeste Zusters van Hoogezand-Sappemeer.
Bro’s before ho’s
Mijn broer en ik hadden in onze jeugd altijd ruzie. Geen gezellige meningsverschillen, maar volwaardige veldslagen. Zonder regels, zonder strategie, zonder genade. Wel met volledige inzet. Alsof de uitkomst van de oorlog afhing van wie het laatste koekje kreeg. Wat ook zo was. Omdat hij bijna twee jaar ouder is dan ik betekende dat hij altijd net iets voorliep. Dus ik rende. Om hem in te halen – of om hem te laten struikelen. Ondanks het leeftijdsverschil waren we aan elkaar gewaagd. Hij kon mijn hoofd tussen zijn armen klemmen tot ik gillend toegaf. Maar als het om terroriseren ging, spande ik de kroon. Ooit trok ik hem zo hard aan zijn haren, dat ik ineens een grote pluk in mijn handen had.
Als oudste had mijn broer privileges, maar ook verantwoordelijkheden. Werken in de winkel. Opletten. Volwassen zijn. Daar waren mijn ouders duidelijk in: ‘Gij moet beter weten.’ En ook: ‘Gij moet op haar letten.’ Zelf hoefde ik niets beter te weten en op niemand te letten, dus ik ontwikkelde andere vaardigheden. Manipulatie bijvoorbeeld. Ik kon mijn broer heel goed lezen. Aan een minieme beweging van zijn linker neusvleugel zag ik wanneer hij loog. Geen zweten, geen stotteren. Gewoon een neus die het niet meer kon houden. Op een dag zei ik achteloos: “Ik weet wat jij doet als je ’s avonds alleen in de winkel bent.” Natuurlijk wist ik helemaal niets. Maar hij schrok zo dat ik wekenlang de macht had. Over het snoep, de knikkers en de afstandsbediening. Tot ons mam ontdekte dat hij stiekem rookte. Dat was het einde van mijn carrière als meesterchanteur.
Discussies hadden we over vrijwel alles. Wie waar op de bank mocht zitten, wie mocht kiezen wat er op tv kwam, wie er begonnen was. Altijd hij – volgens mij. Alleen als onze ouders ruzie maakten, was er plotseling een bondgenootschap. Alsof iemand ineens ‘staakt het vuren’ had geroepen. Mijn broer zat dan ’s avonds steevast boven aan de trap de wacht te houden, terwijl ik in bed bleef liggen. Ondanks de strijd tussen mijn ouders voelde ik me veilig. Omdat ik wist dat hij daar zat.
Jaren later gebeurde er iets onverwachts: ik ging uit huis en werd verliefd op mijn broer. Met terugwerkende kracht. Inmiddels ben ik echt dol op hem. Hij is grappiger dan ik. Slimmer ook. Waar ik zelf losse ideeën rondstrooi en moeite heb orde te scheppen, houdt hij altijd overzicht. Hij heeft overal verstand van, van bankzaken tot naaien, van ondernemen tot verbouwen. Als hij zegt: “Gewoon die muur eruit,” dan gaat die muur eruit. Ik weet nu dat hij altijd gelijk heeft. Wanneer ik bij hem logeer en zijn man zegt: “Jongens, ik ga naar bed,” blijven wij nog uren praten. Over vroeger. Over het leven. Over niets en alles.
Soms zeggen we nu zelfs dat we van elkaar houden. In een appje – met een hartje erbij. Natuurlijk niet al te vaak, want we blijven wel broer en zus. Onze liefde zit niet in grote woorden, maar in kleine dingen: een goede grap, een praktisch advies, een telefoontje over geld of een muur. Heel soms denk ik terug aan die trap. Aan die jongen die daar zat, terwijl hij zelf ook bang was, en toch dacht: ik blijf hier wel even. Misschien is dat broederliefde: dat je iemand jarenlang terroriseert en dat hij dan toch, zonder dat je het vraagt, boven aan de trap blijft zitten.