BELEEF DE TIJD VAN JE LEVEN
Het Ziltepad, langs de ruige rand van het noorden 

Het Ziltepad, langs de ruige rand van het noorden 

Hartje winter wandelt schrijver Francine Postma (1972) in haar eentje een week langs het Ziltepad, een nieuwe pelgrimsroute voor zinzoekers langs ‘de ruige rand van het noorden’. Voor Zin Magazine doet ze verslag van twee etappes.

Als ik de zeedijk beklim en de weidse, lege kwelder overzie, maakt een gevoel van vrijheid zich van me meester. Ik adem de zilte lucht van het waddenslib diep in en laaf me aan de rust, de ruimte, de verte. De hoge hemel, het golvende gras, de slootjes als oplichtende streepjes grijsblauw ertussen, de lichtbruine rietpluimen die wuiven in de wind. ‘Stean stil en sjoch’, staat op een bordje in het gras en dat is precies wat ik doe: stilstaan en kijken. Ik zucht diep en voel een heel jaar van mijn schouders afglijden. Dit is waarvoor ik ben gekomen. 

Bronzen vrouwen

Vandaag loop ik van Hegebeintum tot Holwerd, van waaruit de boot naar Ameland vertrekt. De Ziltepad Route-app stuurt me vanaf de waddendijk weer het binnenland in, met z’n kale akkers, slootjes en kerktorens. Maar ik besluit over de dijk te blijven lopen, langs het wad, om het kunstwerk ‘Wachten op hoog water’ te zien: twee hoge bronzen vrouwenbeelden naast elkaar – de ene dik, de andere dun –, uitkijkend over de Waddenzee, met loshangende, lege handen.

Het kunstwerk roept op tot het zoeken van de balans, heb ik gelezen, in een wereld waar de een te veel heeft, de ander te weinig. Die gedachte spreekt me aan. Hoog torenen de bronzen vrouwen boven me uit als ik tussen ze in sta. Met mijn beide handen reik ik tot aan hun handen. Zo ben ik de gulden middenweg tussen ‘te veel’ en ‘te weinig’. En zo is het: ik heb precies genoeg.

Paspoort stempelen

Om twee uur ben ik in Holwerd. Marije, mijn gastvrouw van vannacht, heeft gezegd dat ik vanaf vier uur welkom ben. Twee uur de tijd, wat ga ik doen? Om te beginnen ga ik naar de Sint Willibrorduskerk, voor de tweede stempel in mijn pelgrimspaspoort. Ik heb de toegangscode van het sleutelkastje in de ruwstenen muur naast de voordeur. Voorzichtig duw ik de robuuste houten deur open, die langgerekt kraakt als in een hoorspel. In het halletje zie ik een houten standaard in de vorm van een kerkraam, met bovenaan het logo van Het Ziltepad: een wandelschoen en een kerk. Daaronder een QR code die ik kan scannen met mijn telefoon, om het verhaal van deze kerk te horen. Op een plankje staat de stempel van Holwerd en een stempelkussen. Ik pak mijn paspoort en druk de stempel erin af. Mijn eerste etappe van het Ziltepad is voltooid!

Even later slenter ik door de uitgestorven straten van Holwerd, langs sympathieke bakstenen huisjes en een oud postkantoor met een prachtig antiek uithangbord. Ik sla linksaf en zie een statig wit pand met blauwe zuilen. Naast het hek staat een bordje met  ‘Labyrint Holwerd – plek van stilte en inspiratie’. Achter het pand vind ik een beschut pleintje waarop met vierkantje keitjes een patroon in cirkels is gelegd, naar een middelpunt met een torentje van opgestapelde stenen. De late middagzon werpt lange schaduwen over het labyrint. 

Stap voor stap, geconcentreerd, loop ik tussen de steentjes door, in cirkels tot aan het middelpunt. Daar aangekomen merk ik op hoe wonderlijk stil het is. Er staat geen zuchtje wind, alles om me heen is rustig en vredig en ook binnen in mij roert zich niets. Ik heb het gevoel dat ik hier uren zou kunnen blijven staan in de stilte. Maar de zon gaat bijna onder; het is tijd om naar mijn logeeradres te gaan.

B&B vol gastvrijheid

Ik overnacht in B&B De oude wagenmakerij bij Marije Greiner, van oorsprong Amsterdamse, drie jaar geleden verhuisd naar Holwerd om haar droom te verwezenlijken: een eigen Bed and Breakfast. “In Amsterdam zijn huizen onbetaalbaar, laat staan een pand waar je ook nog gasten kunt herbergen. Daarom ben ik ben steeds verder van de Randstad gaan zoeken en toen ik dit huis tegenkwam, wist ik: dit is het. Eerst dacht ik: wat moet ik in het hoge noorden, maar ik ben nog elke dag blij dat ik hiernaartoe ben verhuisd.”

Terwijl ik een douche neem, kookt Marije een heerlijke, verwarmende curry. Zeer welkom, want ik rammel en de temperatuur is rap aan het dalen. We eten samen aan haar eettafel, waar de poes bedelend om mijn benen strijkt. We blijken beiden een kind met autisme te hebben. Haar dochter is eind twintig en werkt al. Mijn zoon is achttien en is net gaan studeren. Als ik terugdenk aan de periode dat zijn diagnose nog niet was gesteld, huiver ik soms. Die onzekerheid, het niet weten wat te doen, de eenzaamheid… En daarna de periode met hulpverlening, waarin we tastend onze weg moesten vinden. Marije en ik hebben aan een half woord genoeg; beiden hebben we wisselende ervaringen met hulpverleners en reacties van anderen op onze opvoedmethode. “Uiteindelijk weet je zelf het beste wat je kind nodig heeft. Het gaat erom dat je daar achter gaat staan,” zegt Marije.

Mijn ogen vallen bijna dicht; het toetje sla ik over. “Er ligt een kruik in de linnenkast!” roept Marije me na als ik de trap oploop. Een dag wandelen, een goede maaltijd, een frisse slaapkamer, een dik dekbed en een warme kruik: de ideale omstandigheden om diep te slapen.

Koffie en kruidkoek

Na een met zorg samengesteld ontbijt stap ik de kou in. Ik ben vannacht snipverkouden geworden. Gisteren rook ik nog de zilte sliblucht waaraan dit pad z’n naam dankt; vanmorgen ruik ik helemaal niets. Ook niet de kraakheldere geur van ochtendvorst waar ik zo van houd. Maar ik zie wel de zon opkomen boven de berijpte akkers, in een prachtige pastelroze lucht met gouden vegen.  Zo gauw ik buiten het dorp over een landweggetje door de weilanden loop, merk ik dat het asfalt is bedekt met ijzel. Ik voel me onzeker op het spekgladde weggetje en besluit in de berm te gaan lopen, maar die is op sommige plekken heel smal. Als ik bijna de bevroren sloot in ben gekukeld, sta ik stil. Wat nu?

Net op dat moment komt er achter me een busje aanrijden. Achter de raampjes zie ik een paar grijze hoofden. Ik maak oogcontact met de chauffeur, een vrolijke vrouw met kort blond haar. Ze remt voorzichtig en draait haar raampje open. “Ben je verdwaald?” vraagt ze. “Nee,” zeg ik. “Maar het is zo glad… Ik durf bijna niet verder te lopen.” “Wil je een lift?” vraagt ze hartelijk. “Wij gaan naar de dagbesteding, een stukje verderop.” Spontaan stap ik in. Een paar kilometer verderop weet ik de namen van alle inzittenden: Tjitske, Truus, Lia en Froukje. Vier lieve dames met dementie, die thuis zijn opgehaald voor een paar uur gezelligheid. Chauffeur Alita draait het busje een parkeerplaats op voor een grote verbouwde boerderij. “Ga je mee naar binnen voor een kop koffie?” Dankbaar accepteer ik het aanbod.

Bij de koffie leer ik de rest van de dagbesteding kennen: begeleidster Lizet, chauffeur Douwe en nog eens zeven dementerende mannen en vrouwen. Aan het hoofdeinde van de tafel zit een man te knikkebollen; de rest van het gezelschap kijkt me nieuwsgierig aan. “Dit is een wandelaar die we onderweg tegenkwamen,” zegt Alita. Ik moet vertellen hoe ik heet, waar ik vandaan kom en waar ik naartoe ga. Ondertussen krijg ik koffie en een dik stuk Friese kruidkoek met roomboter.  Douwe vertelt dat hij straks naar Brantgum rijdt. Hij biedt aan me een slinger te geven, tot een fietspad waar is gestrooid. Het scheelt me een uur glibberen, gok ik.

Slapen in de kerk Een paar uur later loop ik het vestingstadje Dokkum binnen, waarvan ik eigenlijk alleen weet dat Bonifacius er destijds is vermoord. Intussen heb ik keelpijn, gloeiende wangen en een tollend hoofd. Op een bankje aan het water pauzeer ik om een kop thee te drinken, met twee paracetamol…

Verder lezen?

Lees het vervolg van Francine’s reisverhaal in Zin twee. Nu in de winkel. Of bestel ‘em hier online.

Tekst en beeld: Francine Postma