Twee minuten, wat zal het zijn, 400 meter? Ik voelde me een hele pief toen ik die afstand zonder puffen rennend wist te volbrengen, nu ruim drie maanden geleden. Toen was ik het eerste kruispunt (ga ik beginnen met rennen, of doe ik het niet) al gepasseerd. Die paar honderd meter waren op hun beurt weer de
bottom-line voor de toekomst: minder lang en ver dan dan zou ik nooit meer lopen.
Twee minuten werden er vijf, vijf werden er tien, en tien werden er dertig. Dertig minuten achtereen, ongeveer vijf kilometer, was twee weken geleden de bottom-line. Minder dan dat wílde ik niet eens meer lopen, in de zalige wetenschap dat ik het kon.
Vanochtend diende zich een nieuw kruispuntje aan, letterlijk en figuurlijk. Op een kilometer of zes. Ik rende samen met Martine: van ons ons huis richting Vondelpark (1,8 kilometer), daar een rondje (3,2), door naar het Rembrandtpark (500 meter), daar een streep (1 kilometer), doorsteken naar het Erasmuspark (400 meter) en daar nog een rondje (1,6 kilometer).
Bij zes kilometer moest ik kiezen: sloeg ik af naar huis, of rende ik met Martine mee, die komend weekend op gaat voor de tien kilometer in de Marikenloop. Mijn hoofd zei rechtsaf, naar huis en naar een uitsmijter met rosbief, mijn hart zei ‘kom op!’ en mijn benen – en de rest – weigerden te adviseren.
U begrijpt; ik liep door. Moeiteloos namen we dat rondje Erasmuspark nog mee en we stopten toen we nog volop door hadden gekund. Dat is een lekker gevoel. De goede afslag nemen, al weet je dat de weg zwaarder is, is een goed gevoel. Of het nou met rennen is, of de volgende keer dat ik voor een zware keuze sta (dat moeilijk gesprek wel of niet aangaan, de heldhaftige of de makkelijke optie kiezen, gezond of lekker eten): ik denk even terug aan de afslag in het Rembrandtpark.